23 april 2020

Langere betalingstermijnen, zijn er beperkingen?

Er zijn momenteel bedrijven die eenzijdig besluiten om hun betalingstermijn op te rekken. In de media is nogal wat aandacht voor de vraag of dat zomaar kan. Maar wij zien en horen gelukkig ook de gevallen waarin leverancier en klant gezamenlijk een langere betalingstermijn afspreken om wat lucht te krijgen/geven. Het is daarbij wel van belang dat partijen zich realiseren dat die afspraken wettelijke grenzen kennen. En dat bijvoorbeeld betalingstermijnen van meer dan 60 dagen – ook als partijen het daar volstrekt over eens zijn! – een risico opleveren. Dat geldt vooral voor grote ondernemingen. Zij zijn jegens kleine ondernemers gebonden aan een maximale termijn van 60 dagen. De wetgever heeft voor hen niet voorzien in een escape, ook niet in de huidige coronacrisis.

Indien partijen geen betalingstermijn zijn overeengekomen, dan geldt volgens de wet – bij een overeenkomst tussen ondernemingen – een betalingstermijn van 30 dagen na ontvangst van de factuur (artikel 6:119a, lid 4, BW). De ondernemer is na afloop van die 30 dagen automatisch de wettelijke rente verschuldigd. Partijen spreken echter vaak wel een betalingstermijn af. Maar let op: de wet stelt grenzen aan de lengte van de betalingstermijn tussen ondernemingen.

De hoofdregel is een uiterste betalingstermijn van 60 dagen (artikel 6:119a lid 5 BW). Deze uiterste termijn van 60 dagen moet tussen partijen overeen zijn gekomen. Dus als een onderneming de betalingstermijn wil verlengen, dan kan dat in beginsel tot (totaal) 60 dagen waarvoor hij een akkoord van de leverancier nodig heeft. Een eenzijdige verlenging van de betalingstermijn naar 60 dagen is niet bindend. De leverancier kan de klant nog steeds aanspreken op betaling van de openstaande factuur en bij te late betaling op de wettelijke rente.

Een afwijking van de hoofdregel van de uiterste betalingstermijn van 60 dagen– dus een termijn van bijv. 90 dagen – is alleen mogelijk als partijen dat uitdrukkelijk, dat willen zeggen in een overeenkomst, afspreken én deze termijn niet kennelijk onbillijk is voor de schuldeiser (artikel 6:119a lid 5 BW). Bij de beoordeling of sprake is van kennelijke onbillijkheid moeten alle omstandigheden in aanmerking worden genomen. Het gaat daarbij om de vraag of de schuldenaar objectieve redenen heeft om af te wijken van de hoofdregel van 60 dagen, de aard van de prestatie en elke aanmerkelijke afwijking van goede handelspraktijken. In dit kader is relevant dat het volgens de wetgever bij objectieve redenen gaat om andere redenen dan enkel liquiditeitsredenen van de schuldenaar. Tijdelijke betalingsproblemen vanwege bijv. de coronacrisis kunnen echter wel een objectieve reden vormen voor een langere betalingstermijn dan 60 dagen.  Aangezien ook leveranciers door een verlengde betalingstermijn in de problemen kunnen komen, ligt een compromis voor de hand. Partijen kunnen bijv. afspreken dat een deel van de factuur voor het einde van de uiterste termijn van 60 dagen wordt betaald en het restant (met vermeerdering van de wettelijke rente) op een later moment. Dit lijkt op voorhand niet kennelijk onbillijk voor de leverancier.

Grote ondernemingen kunnen in hun relatie met kleine leveranciers echter geen beroep doen op deze uitzondering. Voor hen geldt altijd een maximale betalingstermijn van 60 dagen. Deze regeling dient ter bescherming van het MKB. De afspraak dat een grote retailketen de facturen van zijn MKB leveranciers later betaalt waardoor de betalingstermijn wordt verlengd naar meer dan 60 dagen, is van rechtswege nietig (artikel 6:119, lid 6, BW). De wet zorgt dus in de huidige coronacrisis voor een extra risico voor grote bedrijven. Als zij met hun leveranciers een langere betalingstermijn dan 60 dagen afspreken, dan is dat een nietige afspraak. De leverancier, of bij faillissement de curator, kan dan een schadevergoeding vorderen zodra de (oorspronkelijke of 30 dagen) termijn is verstreken. Die schadevergoeding bestaat uit in elk geval de wettelijke handelsrente van 8%. Daarnaast kan de ondernemer ook als schade een vergoeding van de incassokosten vorderen, mits er incassowerkzaamheden zijn verricht.

Een kleine leverancier zal zich natuurlijk afvragen of hij zich wel moet verzetten tegen een verlenging van de betalingstermijn. In “opstand” komen tegen een grote onderneming kan ook ongewenste effecten hebben. MKB leveranciers kunnen zich echter verenigen en gezamenlijk optrekken tegen een grote retailketen die de betaling verlengt naar een langere betalingstermijn dan wettelijk toegestaan.

Als er geen overeenstemming is over een verlenging van de betalingstermijn of die verlenging onbillijk is jegens de schuldeiser of als er een nietige afspraak is gemaakt, dan ligt een juridisch conflict op de loer. Dat moet in de huidige omstandigheden voorkomen worden. Dat kan bijvoorbeeld door het treffen van een betalingsregeling waarbij een deel van de factuur direct wordt betaald en een ander deel later. Dit past ook in de huidige trend van #sharetheburden. De nietigheidssanctie voor grote ondernemingen die om valide redenen hun betalingstermijn willen verlengen naar meer dan 60 dagen past hier echter niet. De wetgever heeft niet in deze situatie voorzien. Dat moet dus gerepareerd worden. Ook voor grote ondernemingen moet er een escape zijn, zolang dat niet kennelijk onbillijk is voor de schuldeiser en de schuldeiser, al dan niet onder voorwaarden, met die verlenging instemt.

Voor vragen over dit onderwerp kunt u contact opnemen met één van de advocaten van TREBLE.